Wanneer de meetgegevens van de ultrasone flowmeter frequent fluctueren en niet stabiel worden weergegeven, kan het probleem zich voordoen in de volgende 4 dimensies, en kunnen gerichte maatregelen worden genomen:
Dimensie 1: Interferentie vanuit de installatieomgeving. Controleer eerst of de apparatuur zich in de buurt bevindt van sterke elektromagnetische interferentiebronnen, zoals krachtige motoren en frequentieomvormers, die de overdracht van ultrasone signalen kunnen beïnvloeden. Als de afstand te klein is (minder dan 1 meter), moet de flowmeter uit de buurt van de interferentiebron worden gehouden, of moet er een metalen afschermplaat tussen de flowmeter en de interferentiebron worden geplaatst. Controleer tegelijkertijd of de leiding sterke trillingen vertoont, zoals resonantie tijdens de werking van de waterpomp. Een schokdemper kan op de montagebeugel van de flowmeter worden geïnstalleerd om de impact van trillingen op de meting te verminderen.
Dimensie 2: Problemen met de sonde-installatie. Controleer of de sonde goed op de leiding is aangesloten. Als de sonde los zit of de koppelingsvloeistof verouderd is, zal de signaaloverdracht instabiel zijn. Schakel in dat geval de apparatuur uit, verwijder de sonde, reinig het oppervlak van de sonde en de leiding van stof en olie, breng nieuwe koppelingsvloeistof aan (zorg ervoor dat er geen luchtbellen in de koppelingsvloeistof zitten) en bevestig de sonde vervolgens stevig. Draai de bevestigingsbouten gelijkmatig aan om vervorming van de sonde te voorkomen. Controleer bovendien of de installatieafstand van de sonde voldoet aan de eisen van de apparatuur. Verschillende leidingdiameters vereisen verschillende installatieafstanden. Raadpleeg de tabel met installatieafstanden in de handleiding van de apparatuur om de afstand aan te passen.
Dimensie 3: Veranderingen in de toestand van het medium. Als het te meten medium veel luchtbellen en onzuiverheden bevat, of als de temperatuur en viscositeit van het medium plotseling veranderen, wordt de meetnauwkeurigheid beïnvloed. Observeer in dat geval de toestand van het medium in de leiding. Als er luchtbellen aanwezig zijn, kan een ontluchtingsklep op het hoogste punt van de leiding worden geïnstalleerd; als er veel onzuiverheden zijn, moet een filter stroomopwaarts van de flowmeter worden geplaatst (de filternauwkeurigheid wordt bepaald aan de hand van de toestand van het medium). Controleer tegelijkertijd of de apparatuur geschikt is voor het temperatuur- en viscositeitsbereik van het betreffende medium. Als dit het toepassingsbereik overschrijdt, moet de betreffende sensor of het bijbehorende model worden vervangen.
Dimensie 4: Parameterinstellingen van de apparatuur. Open de parameterinterface van de apparatuur en controleer of parameters zoals 'meetmodus', 'buisdiameter' en 'geluidssnelheid van het medium' correct zijn ingesteld. Als de werkelijke buisdiameter bijvoorbeeld DN100 is, maar deze per ongeluk is ingesteld op DN80, zullen er schommelingen in de gegevens optreden. De parameters kunnen opnieuw worden gekalibreerd op basis van de feitelijke situatie ter plaatse. Sommige apparatuur ondersteunt de functie 'automatische kalibratie'; na activering past de apparatuur zich automatisch aan de huidige werkomstandigheden aan en vermindert de schommelingen in de gegevens.
Geplaatst op: 21 oktober 2025