De geluidssnelheid van de te meten vloeistof is vereist bij gebruik van de TF1100-serie ultrasone flowmeters met transittijdmeting. Deze instructie wordt gebruikt om de geluidssnelheid van een bepaalde vloeistof te schatten, wanneer het meetsysteem deze niet automatisch aangeeft en u deze dus moet schatten.
Volg onderstaande stappen voor de TF1100-serie ultrasone flowmeter met transittijdmeting:
1. Druk op MENU 1 1 om Windows M11 te openen en voer pipe OD in. Druk vervolgens op om te bevestigen.
2. Druk op de toets ∨/- om Windows M12 te openen en voer de pijpdikte in. Druk vervolgens op om te bevestigen.
3. Druk op de toets ∨/- om Windows M13 te openen. De meter berekent automatisch de pijp-ID.
4. Druk op de toets ∨/- om Windows M14 te openen. Druk vervolgens op ENTER, ∧/+ of ∨/- om het pijpmateriaal te kiezen. Druk daarna op ENTER om te bevestigen.
5. Druk op de toets ∨/- om Windows M16 te openen. Druk vervolgens op ENTER, ∧/+ of ∨/- om lineair materiaal te selecteren. Druk daarna op ENTER om te bevestigen.
6. Druk op de toets ∨/- om Windows M20 te openen. Druk vervolgens op ENTER, ∧/+ of ∨/- om het vloeistoftype te selecteren als "8. Overig". Druk daarna op ENTER om te bevestigen.
7. Druk op de toets ∨/- om Windows M21 te openen. Druk vervolgens op ENTER en typ 1482 m/s (dit is de geluidssnelheid van water, een standaardinstelling van het metersysteem) in als het type vloeistof in de leiding onbekend is. Druk daarna op ENTER om te bevestigen.
8. Druk op de toets ∨/- om Windows M22 te openen. Druk vervolgens op ENTER om de viscositeit van de gemeten vloeistof in te voeren. Als deze onbekend is, laat dan de standaardinstelling van het metersysteem staan, namelijk 1,0038.
9. Druk op de toets ∨/- om Windows M23 te openen. Druk vervolgens op ENTER, ∧/+ of ∨/- om het transducertype te kiezen. Druk daarna op ENTER om te bevestigen.
10. Druk op de toets ∨/- om Windows M24 te openen. Druk vervolgens op ENTER, ∧/+ of ∨/- om het montagetype te kiezen. Druk daarna op ENTER om te bevestigen.
11. Nadat u de bovenstaande parameters hebt ingevoerd, drukt u op ∨/- om naar venster M25 te gaan. Hierin wordt automatisch de juiste montageafstand tussen de twee transducers weergegeven. Deze montageafstand moet strikt worden aangehouden.
12. Zorg er bij de installatie voor dat de waarde voor signaalsterkte en -kwaliteit die in de M90 wordt weergegeven, zo hoog mogelijk is. Een hoge signaalsterkte en -kwaliteit garanderen een stabiele en nauwkeurige werking.
13. Druk op MENU 9 2 om de door de meter gemeten geluidssnelheid te bekijken. De gemeten waarde is doorgaans ongeveer gelijk aan de ingevoerde waarde in M21. Als er een groot verschil is tussen de twee waarden, betekent dit dat de installatielocatie of de waarde in M21 onjuist is. In dat geval moet de geschatte geluidssnelheid in M21 worden ingevoerd. Herhaal deze methode doorgaans drie keer om een nauwkeurige schatting van de geluidssnelheid te verkrijgen.
14. Nadat u alle bovenstaande parameterinstellingen hebt voltooid, drukt u op MENU 0 1 om de meetwaarde weer te geven.
Geplaatst op: 27 oktober 2021